Servische olie: een gordiaanse knoop voor verdere Europese integratie?

Servië is een geopolitieke hete aardappel. Het land is geopolitiek en economisch volledig op Rusland gericht, terwijl de andere landen van ex-Joegoslavië en haar buren in het Oosten allemaal een pro-Westerse koers varen.

Servië wil in het midden van het bed liggen en weigert kamp te kiezen. Dat is geen slecht idee: zo behoud Servië haar goede banden in Rusland, haar voornaamste export-partner, en kan het nieuwe investeringen aantrekken vanuit het Westen.

Sinds 2014 is Servië overigens officieel een kandidaat-lidstaat van de Europese Unie. Voor toetreding tot de NAVO blijft het water natuurlijk om logische redenen nog te diep, hoewel de NAVO in 2008 een officiële toetredingsuitnodiging naar Servië stuurde.

Servië blijft een volatiele economie. Zowel in 2011 en 2012 kreeg het land een sterke economische correctie te verduren en de werkloosheid blijft naar EU-maatstaven enorm hoog, op bijna 20%.

Servië is een belangrijke exporteur van steenkool. Gas en olie zijn van minder groot belang op de totale exportbalans, maar de Servische reserves zijn van strategisch belang voor de Balkan-regio. Die olie- en gasproductie zijn in handen van één monopolist, het staatsbedrijf NIS, dat ook activiteiten in Bosnië, Roemenië en Hongarije exploiteert.

In tegenstelling tot in Rusland werden de Servische staatsbedrijven na de val van het communisme niet halsoverkop geprivatiseerd, om dan later weer (al dan niet geheel of gedeeltelijk) te worden genationaliseerd. Het Servische NIS doofde langzaam uit en werd in 2007 in geprivatiseerd aan spotprijzen.

Ondertussen had het een schuldenlast van 1 miljard euro opgebouwd, en maakte het een half miljard euro per jaar verlies.

Onder andere het Russische Gazprom, het Hongaarse MOL Group, het Oostenrijkse OMV, het Griekse Hellenic Petroleum en het Roemeense Rompetrol verwierven de spotgoedkope aandelen van NIS.

In ruil voor de niet-erkenning van Kosovo kreeg Gazprom in 2009 51% van de aandelen in handen aan een gunstprijsje van 400 miljoen euro.

Sinds 2009 heeft Gazprom een bescheiden bedrag van 2.5 miljard euro geïnvesteerd in het bedrijf. Een bescheiden bedrag, maar NIS is het enige staatsoliebedrijf dat in tijden van historisch lage olieprijzen hoge dividenden kan uitkeren aan haar aandeelhouders. Een unicum.

Ondertussen is NIS een kerngezond bedrijf geworden en draagt het zelfs 15% per jaar bij aan het budget van de Servische overheid.

Het is voorlopig nog koffiedik kijken hoe de hand van Gazprom in NIS een probleem vormt in de toetredingsonderhandelingen tussen de EU en Servië. Er zal moeten onderzocht worden in hoeverre NIS dominant is op de markt, en in hoeverre Gazprom die dominantie aanwendt.

Het is best mogelijk dat de EU Gazprom verplicht om enkele aandelen in NIS te verkopen, of dat NIS enkele projecten en pijpleidingen moet verkopen. Dat biedt mogelijkheden voor Westerse investeerders, in de eerste plaats de spelers die reeds bij NIS betrokken zijn.

Foto: U.S. Army Europe